Ruiken en/of proeven.
Ruiken?? Nee dat kan een karper niet!! Tenminste niet wat wij mensen onder ruiken verstaan, maar proeven dat kan de karper maar al te goed!! Neusgaten bezit de karper wel maar er is geen verbinding met de keelholte, het bestaat slechts uit een voor- en achteropening, de ruimte daartussen is overspannen met huid.
In de daaronder liggende holte bevinden zich huidplooien die bedekt zijn met een slijmhuid. Tijdens het zwemmen stroomt er water door de neusholte wat daar weer gecontroleerd wordt door de zintuigcellen die verderop in het artikel beschreven worden.
Dus om een idee te krijgen hoe een karper ruikt, om dit reeds lang ingeburgerde woord nog maar eens te gebruiken, zou je de boilie moeten gaan proeven dus?? Ja dat zou kunnen maar onze smaakpapillen zijn lang niet zo goed ontwikkeld als die van een karper. Onderzoeken hebben bewezen dat de karper zoet 512 keer sterker kan waarnemen dan een mens en zout neemt de karper 184 keer sterker waar.
Maar dat proeven van de boilie is ook weer een riskante zaak. Stel je voor dat er bloed- of vleesmelen in zijn verwerkt. Met de tegenwoordige waarschuwingen van BSE lijkt mij dit nu ook weer niet een gezonde zaak: tenzij je natuurlijk zeker weet wat er in de boilie zit. Volgens mij zou het gebruiken van dergelijke melen ook voor de boilie verboden moeten worden. Wij hebben allen toch het allerbeste voor met onze gevinde vrienden, is het niet. Ik heb al gehoord dat het niet bewezen is dat een karper ook BSE kan krijgen, maar het tegendeel is daarmee ook niet bewezen. Tot zolang lijkt het mij verstandig om er dan maar van uit te gaan dat het beter is om dergelijke melen niet meer te gebruiken.
Ook het proeven heeft dan weinig zin als je een idee wilt krijgen wat een karper precies waarneemt. Maar goed, een ieder doet maar wat hij denkt dat nodig is om te doen. Ik ruik ook aan een boilie maar ik denk meer uit gewoonte dan om te bepalen of de karper het wel lekker zal vinden of niet.
Nauw verbonden, maar proeven en ruiken zijn verschillende waarnemingen. Het verschil in de waarneming zit in de concentratie. Je bemonstert een aantal moleculen in de omgeving en krijgt bijvoorbeeld trek (ruiken) of je neemt iets op in geconcentreerde vorm en verzadigd jezelf daarmee (proeven en eten). De kern zit hem niet in definities, maar simpelweg in de vraag of een molecuul dat een mens in de lucht waarneemt ook de eigenschappen bezit om hem in water waarneembaar te maken. De volgende vraag is dan of karper geschikte chemoreceptoren heeft voor de waarneming. En dat is niet zo makkelijk generaliserend te beantwoorden. Je mag wel aannemen dat iets wat je via je speeksel proeft tenminste ook waarneembaar kan zijn in water.

Hoe proeft een karper dan?
Nu daar is een pracht proefschrift over te lezen “Food handling and mastication in the carp” een proefschrift van dhr. Ferdinant A. Sibbing dat gemaakt is in 1984 ter verkrijging van de graad van doctor in de landbouwwetenschappen. Dus niet zomaar iets, het is een proefschrift om wel degelijk rekening mee te houden. Wij als karpervissers kunnen het prachtig gebruiken om een idee te krijgen wat zich allemaal afspeelt in of aan de karper.

Maar eerst even wat zintuigen doornemen:
Smaakzin:
De “smaakzin” van de karper is van groot belang bij het lokaliseren van voedsel. Deze zenuwpapillen zitten over het hele lichaam tot en met de staart. Als de mens iets dergelijks zou hebben, zou dat betekenen dat de tenen kunnen proeven hoe iets smaakt!! Maar veruit de meeste smaakpapillen zitten op de baarddraden, lippen en in de bek. Met andere woorden de karper “proeft” het water wat langs hem stroomt en lokaliseert zo de richting van de voedselplek, hij gebruikt zijn baardraden, lippen en bek verder om te onderzoeken waar het zich precies bevind en of iets eetbaar is of niet. De baarddraden en lippen zijn bezet met een grote dichtheid aan smaakknopjes: ca 380 per mm2.

Tastzintuigen:
Ook zijn de “tastzintuigen” van groot belang bij het vinden van voedsel. Deze uitermate kleine zenuwuiteinden bevinden zich weer over het hele lichaam en wederom met een grotere concentratie aan de randen van de lippen, de voorkant van de kop en op de baarddraden. Hiermee is de karper in staat om de kleinste beweging waar te nemen. Denk bv aan het friemelen van de bloedwormen en/of andere insectenlarven die zich in de grond bevinden. Ook kan de beweging van kleine zwemmende of zich anders voortbewegende waterdiertjes zo waargenomen worden.
Met een beetje fantasie zou je ook kunnen bedenken dat hierdoor het kleine plonsje van een boilie waargenomen kan worden, de eerste attentie is daar, en bij het naderen “weet” de karper bij een positieve conditionering, hé daar is dat lekkere hapje weer, of bij een negatieve conditionering: HELP wegwezen!!

Zijlijn:
Een ander zintuig wat de karper gebruikt is een orgaan waarmee trillingen en verschillen in druk kunnen worden waargenomen. Dit orgaan is de “zijlijn”, door wetenschappelijk onderzoek weet men dat de karper het verschil tussen een “normale” beweging en een “schrikbeweging” van een andere waterbewoner kan bepalen. Ook de beweging op de oever kan de karper zo waarnemen, om extra voorzichtig te zijn is dus niet een verkeerde eigenschap voor een karpervisser.
Iedereen die goed oplet heeft wel eens de boeggolf gezien van een karper die uit de oever vlucht en daarmee uiteraard ook de andere karpers, die misschien wel op jou voerstek wachten op een lekker hapje, in zijn vlucht meeneemt!! Deze vlucht wordt veroorzaakt door de trillingen die de karper met de zijlijn waarneemt. De vis associeert dit met gevaar en de instinctieve reactie is dus vluchten!!
Ook speelt de “zijlijn” een grote rol bij het waarnemen van zelfs de kleinste verschillen in drukgolven. Dit kanaaltje, wat de zijlijn werkelijk is en dat zich aan beide zijkanten van de vis bevind, is gevuld met slijm. Door middel van kleine openingetjes in het kanaal geven kleine celletjes een signaal af naar de hersenen: op deze manier houdt de karper het wezen dat hij werkelijk is onder controle. Hij bewaart hiermee het evenwicht, bepaalt onder welke hoek het lichaam zich bevind, wat onder en boven is enz .
Hoe voedt een karper zich?
Voedselopname:
zoeken, vinden, opname, selectie door proeven en reinigen, de niet verteerbare en/of niet smakende delen worden weer uitgespuwd of verlaten de bek via de kieuwdeksels de voedseldelen worden vastgezet, transport, kauwen en slikken, verteren.
Het verteren gebeurd in de darmen omdat een karper geen maag bezit.
Het palataalorgaan [ verhemelteorgaan ] en het postlinguaal-orgaan [ achtertongorgaan ] bezitten een complex spierkussen met een grote dichtheid aan smaakknopjes en spiervezels. Het is bezet met welhaast maximale dichtheden aan smaakknopjes, 820/ mm2, dit stijgt ver boven waarden bij andere vissen uit. Mede door deze enorme dichtheid heeft de karper een groot scheidend vermogen tussen eetbaar en niet eetbaar.
Hier wordt ook het voedsel vastgezet en verder getransporteerd. Ook speelt de viscositeit, de taaiheid, van het slijm in de bek een rol bij het vasthouden van voedsel. Ook zijn er in de bek van de karper verschillen in viscositeit van het slijm vastgesteld.
Waarschijnlijk kan door lokale bultvorming het voedsel tussen keeldak en keelbodem vastgezet worden, dit is toen niet verder onderzocht maar er zijn wel sterke aanwijzingen gevonden. Al met al dus een zeer complex geheel. Denk hier eens aan de volgende keer als je weer een haak moet verwijderen uit dit zeer complexe geheel.
Verderop in de kauwholte wordt het voedsel geplet of gekauwd tussen de keeltanden [ onder ] en de hoornplaat [ boven ] .
Het moment en de snelheid van bek openen , uitzetten van de bovenkaak, opening van de kieuwdekselklep en van de volumeverandering in mond – keel – en kieuwholte bepalen samen het effect van de hoeveelheid materiaal wat wordt opgezogen.
Partiële opname is mogelijk door snelle en volumineuze zuigbewegingen, opgewekt door vergroting van de mond en kieuwholte. De bovenkaken worden hierbij vooruitgestulpt waardoor een snelle en naar het voedsel gerichte waterstroom ontstaat: een vacuüm dus.
Het langzaam en ongericht opslokken van water met voedsel gebeurd door alleen vergroten van de mondholte, de karper kan hier dus alleen zwevende delen opnemen, denk aan watervlooien en ander planktonachtig voedsel.
Het spoelen van vervuilde grond met voedseldelen en/of de voedseldelen op zich gebeurd door het met gesloten mond afwisselend uitzetten [ expanderen ] en inkrimpen [ comprimeren ] van de mondholte.
Concluderend kan gesteld worden dat gericht opnemen van kleine delen wel degelijk mogelijk is maar mede afhankelijk zal zijn van de “honger” van de karper en de hoeveelheid ka(r)pers op de voerstek. Leeft de karper in een biotoop met een grote diversiteit aan natuurlijk voedsel waar ook nog behoorlijk wordt gevoerd, zal hij uiteraard sneller geneigd zijn om gepreoccupeerd te gaan azen.
Natuurlijke voedingsbronnen zoals; watervlooien, muggenlarven, tubifex en alle andere in het water voorkomende organismen zoals plankton e.d. kunnen zich in voor en najaar explosief ontwikkelen en zijn dan ook een grote bron van voedsel. Ook de tussen de waterplanten, algen en het eendekroos levende dieren zoals slakken, larven, wormen e.d worden samen met deze plantedelen met graagte genuttigd.
Ook zal een karper een klein visje niet schuwen. Dit weet ik omdat ik in het verleden enkele malen met een klein visje een karper ving. Alhoewel ik niet gericht op karper viste vond ik deze wetenschap toen toch wel belangrijk.
Bij begroeide oevers zal ook het inwaaivoedsel een bron van extra voedsel zijn, zachtere winters betekenen ook een groter aanbod van landinsecten e.d.
Zou hierin dan misschien ook een reden kunnen liggen voor de soms tegenvallende vangsten. Of ligt hier de reden dat sommige karpers nooit gevangen worden op een water vraag ik mij dan weer af.
Ik zou me kunnen voorstellen dat voor bepaalde karpers het overvloedig aanwezig zijn van natuurlijk voedsel voldoende is om te overleven. Deze immer voorzichtige karper heeft niet meer nodig. Het aangeboden voedsel door de karpervisser zal op de lange en soms ook korte duur altijd geassocieerd worden met gevaar, de karper zal deze stekken dan gaan mijden. Denk hierbij aan bv de geconserveerde boilies, sommige conserveringsmiddelen kunnen de darmflora compleet vernietigen.
Negatieve conditionering op natuurlijk voedsel kan niet aan de orde zijn omdat de karper dit niet associeert met gevaar, tenzij dit natuurlijke voedsel bedorven is door invloeden van buitenaf dan zal de karper ook deze plekken gaan mijden.
Ik heb de overtuiging dat het natuurlijke voedselaanbod een grotere bron van de dagelijkse voeding is dan menigeen beseft.
Dit alles is uiteraard verre van compleet maar ik hoop dat er een inzicht is ontstaan hoe onze vrienden onder water leven en dat u met mij ervan overtuigt bent dat een karper weliswaar niet kan ruiken maar heel goed kan waarnemen waar zich voedsel bevind.

met dank aan D.A.J. Bijlsma die dit stukje geschreven heeft.

WhatsApp chat